Sponswerking nodig voor Haarlemmermeer

Het waterbeheer in Haarlemmermeer is uitdagend, en dat heeft meerdere redenen. Emil Hartman, relatiemanager voor Haarlemmermeer bij Hoogheemraadschap van Rijnland, legt het een en ander uit in onderstaande blog.

Meer hevige regenbuien

Door de verandering van het klimaat nemen hevige regenbuien toe. De gemalen en riolen kunnen dit niet altijd opvangen, en het kan leiden tot water op straat en hoge grondwaterstanden. In sommige wijken leidt dit tot problemen, zoals wateroverlast op straat of water in kruipruimtes. Dit wordt in stedelijk gebied vooral veroorzaakt doordat veel oppervlak is verhard. Daardoor kan het water niet meer de grond in en verdampt er ook minder water. Daarom is het belangrijk om de sponswerking in Haarlemmermeer te vergroten. Dit houdt in dat we ervoor moeten zorgen dat de neerslag die van boven komt weer sneller de bodem in kan zakken door meer groen en water in de openbare ruimte. Ook kan er bijvoorbeeld gekeken worden naar slimme inpassing van waterbergingen (bijvoorbeeld waterberging in combinatie met een speelplein). Meer ruimte voor groen en water helpt ook om de overlast bij hitte te verminderen. Steen en asfalt warmen in de zon sterk op en geven die warmte ’s avonds en ’s nachts af waardoor de nachten in de stad (te) warm blijven. Door meer groen en water dat kan verdampen krijg je meer verkoeling in de stad.

Meer verdamping

Klimaatverandering betekent niet alleen een toename van hevige regenbuien maar ook langere periodes van hitte en droogte. In het voorjaar en de zomer is de verdamping groter dan de hoeveelheid neerslag die valt. Dit wordt het neerslag tekort genoemd. Het is belangrijk om het water op peil te houden zodat planten, waaronder landbouwgewassen, niet verdrogen (zie Figuur 1). Daartoe moet water van buiten Haarlemmermeer worden ingelaten. Het inlaatwater voor Haarlemmermeer komt uit de ringvaart. De ringvaart zelf wordt op haar beurt weer op peil gehouden door een inlaat vanuit de Hollandse IJssel bij Gouda (zie Figuur 1).

Figuur 1: Waterbeheer nu: aanvoeren vanuit de rivier voor genoeg en zoet water

Haarlemmermeer is een grootverbruiker van zoet water

Door de diepe ligging van Haarlemmermeer is er sprake van veel zout kwelwater. Dit is afkomstig van het grondwater onder de duinen dat zout is als gevolg van de invloed van de zee (zie Figuur 1). Naast het op peil houden van het watersysteem is zoet water ook nodig om het watersysteem door te spoelen. Anders zou het zoutgehalte te ver kunnen oplopen (zie Figuur 1). Ook dit is belangrijk voor de landbouw in Haarlemmermeer.

Het zoete water voor aanvulling en doorspoeling laat Rijnland vanuit de Hollandse IJssel bij Gouda in. Hoewel Haarlemmermeer 15% van het totale beheergebied van Rijnland beslaat is 40% van het water dat bij Gouda wordt ingelaten nodig voor die polder. Haarlemmermeer is dus met recht een grootgebruiker van zoet water.

De hoeveelheid in te laten zoetwater vanuit rivieren wordt steeds minder

Er zijn meer gebieden in Nederland die zoet water nodig hebben. Dat vergt een goede verdeling van het beschikbare zoete water dat Nederland binnen komt via de grote rivieren. Wat het extra ingewikkeld maakt is dat het zoute zeewater via de rivieren steeds verder het binnenland indringt. Dit komt aan de ene kant door de stijging van de zeespiegel, en daarnaast doordat er tijdens droge zomers minder water via de rivieren Nederland binnenkomt. Zo komt het zoute zeewater nu soms al tot aan het inlaatpunt bij Gouda (Figuur 3). Op dat moment kan Rijnland daar geen zoet water meer inlaten. Samen met het hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden wordt daarom gekeken of meer zoet water kan worden aangevoerd vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal bij Utrecht. Via de route langs Bodegraven kan de huidige zoetwater aanvoer veilig worden gesteld (zie Figuur 3).

Figuur 2: bij minder wateraanvoer via de rivieren, rukt de zouttong vanuit de Nieuwe Waterweg op richting Gouda

Figuur 3: Alternatieve route zoetwatervoorziening via Bodegraven

Zoet regenwater vasthouden

In Haarlemmermeer wordt rondom water vanuit de ringvaart ingelaten via 74 ingelaten. Per jaar laat Rijnland nu ca. 25 miljoen m3 water in. Omdat Rijnland de opdracht heeft om te kijken hoe de zoetwater behoefte kan worden beperkt, wordt nu onderzocht hoe de inlaten beter bediend kunnen worden zodat met minder zoetwater hetzelfde resultaat bereikt kan worden.

De hoeveelheid neerslag die in Haarlemmermeer valt is circa 150 miljoen m3. De voornaamste zoet waterbron is dus de regen. In het huidige watersysteem wordt het overtollige regenwater echter vrij snel afgevoerd en weggepompt richting de ringvaart en uiteindelijk naar zee. Dat wegpompen gebeurt met (polder- en boezem-) gemalen (zie Figuur 4).

Figuur 4: Waterbeheer nu: Afvoeren naar zee voor droge voeten

 

Figuur 5: Van een doorspoelsysteem naar een zelfvoorzienend duurzaam watersysteem

Vanuit de hierboven beschreven problemen en uitdagingen is het veel beter om dat zoete regenwater langer vast te houden. Dat vasthouden en bergen van water noemen we ook wel sponswerking (zie Figuur 6). Om zoet water vast te kunnen houden is het nodig dat het waterpeil in de watergangen meer kan fluctueren. Bij een regenbui mag het waterpeil stijgen zodat je het water kan vasthouden. Via verdamping zal het waterpeil daarna langzaamaan vanzelf weer dalen. Hogere waterpeilen moeten natuurlijk niet leiden tot wateroverlast of zelfs schade, en lagere waterpeilen moeten niet zorgen voor droogteschade aan bijvoorbeeld landbouwgewassen.

Haarlemmermeer kent 63 verschillende peilvakken. Het waterpeil wordt geregeld met gemalen en/of stuwen. Idealiter wordt het hoogste peil van alle peilvakken gelijk zodat er op dat moment wateruitwisseling kan plaatsvinden tussen alle peilvakken in Haarlemmermeer. Als het in één deel van de polder hard regent en in andere delen minder kan zo de hele polder bijdragen aan de waterberging en wordt lokale overlast vermeden. Daarmee wordt het watersysteem meer zelfvoorzienend, duurzaam en robuust. Per peilvak moet goed gekeken worden of dat systeem kan worden ingevoerd en zo ja binnen welke grenzen. In ieder geval worden alle nieuwbouw gebieden volgens dat nieuwe principe ingericht.

 

Figuur 6: de gezamenlijke wateropgave bestaat uit 1. Vasthouden, 2. Bergen en pas als het niet anders kan 3. Afvoeren.

Wat kan je zelf doen

Naast maatregelen op polderniveau moet ook gekeken worden naar mogelijkheden voor meer sponswerking op lokaal niveau. Het vervangen van tegels door groen of grind in de tuin is een goede maatregel. Ook kan je van platte daken een groen waterbergend dak maken. Bij hellende daken kan je de regenpijp doorzagen en zorgen dat het water de tuin in loopt (dit noemen we afkoppelen). Bij hoge grondwaterstanden zijn dan vaak wel aanvullende maatregelen nodig. Denk aan: reliëf in de tuin, een regenwatervijver, greppel, infiltratiekratten of een aansluiting op een sloot. Iedereen kan dus zijn ‘sponsje’ bijdragen.